Algemeen

Judith Nieken dicht licht tegen de somberte

Door: Ate de Jong

“Ik stop je mooie woorden toe / en dicht tegen je aan.” Dit is een van de kenmerkende gedichten van Judith Nieken, die in de afgelopen tien jaar zijn verschenen in de Leeuwarder binnenstad. Bij een kapsalon en een café, maar vooral op ramen en deuren van huizen in en rond de Bollemanssteeg.

Afbeelding
Foto: Simon van der Woude

Het zijn eenvoudige gedichten, met mededogen geschreven en altijd met een kwinkslag aan het eind. Bijvoorbeeld:

Doe je voordeel
Zonder oordeel
Leg niet alles langs een lat

Imperfectie
Is juist sexy
Ook aan jou ontbreekt wel

Naast tekstschrijver is Judith Nieken (Groningen, 1967) patholoog. Vier dagen per week beoordeelt ze weefsel dat ze krijgt van huisartsen en ziekenhuizen in Friesland. “Een patholoog is een medisch specialist, een dokter die daarna doorgestudeerd heeft voor cel- en weefselonderzoek en diagnoses kan stellen. Eeuwenlang werd daarbij een microscoop gebruikt, tegenwoordig werk je met een computer.”

Ze vindt het heel mooi werk. “Het is dankbaar werk omdat het bijdraagt aan een diagnose waarmee patiënten zo goed mogelijk behandeld kunnen worden. En het is visueel heel aantrekkelijk. Mooie beelden. Het lichaam van binnen is echt heel erg mooi op microscopisch niveau. Er gaat een wereld voor je open, je weet niet half wat er aan je voorbij zeilt. Fascinerend.”

In Friesland kent iedereen iedereen. Weet ze van wie ze de weefsels onderzoekt? “Ja, en dan kan het voorkomen dat dat je belemmert in je onderzoek, omdat er dan emotie om de hoek komt kijken en je misschien niet zuiver meer kunt waarnemen. In zo’n situatie draag ik het onderzoek over aan een collega.” Ze werkt veel samen met de mensen van de afdeling mondziekten, kaak- en aangezichtschirurgie (MKA) van Frisius MC. “Een topteam,” zegt ze.

Pathologie en poëzie – een wereld van verschil? Voor haar niet, zei ze in de Leeuwarder Courant: “Ik bestudeer en analyseer in alle rust het weefsel voor de behandelaar en maak daar een verslag van met een conclusie; de diagnose. In mijn teksten en gedichten doe ik hetzelfde. Ik werk toe naar een boodschap, een pointe, een clou.”

Simon van der Woude

LIPPENSTIFT

Op haar zeventiende schreef ze haar eerste gedicht. Het was een Sinterklaasgedicht: “Wij hoorden op Sinterklaasavond mijn opa en oma de straat al binnenrijden en mijn zusje was in paniek. Ze had lippenstift voor oma gekocht, maar nog geen gedicht. En toen schreef ik snel Lippenstift.”

Lippenstift

Dit spul verfraait het aards bestaan
Je zet je lippen even aan
En bent daarna voortdurend bezig
De kerels van je af te slaan

Op haar achttiende raakte ze verslingerd aan de liedjes van Jasperina de Jong. Waarom Jasperina? “Omdat die liedjes tekstueel waanzinnig goed in elkaar zaten, de muziek was prachtig, de stem van Jasperina ook. En ik vond het heel bijzonder dat iemand met een opera-achtige stem hele geestige dingen kon zingen. Het schuurde op de een of andere manier en dat vond ik heel grappig.”

IVO DE WIJS

Ze besloot Jasperina te vragen wat zij vond van haar gedichten. De grote Jasperina! Waar haalde ze het lef vandaan? “Volgens mij heb ik er niet bij stilgestaan wat ik op dat moment deed. Ik schreef en thuis vonden ze dat leuk, maar ik dacht: ‘Ja, maar dat is omdat jullie mijn ouders zijn.’ En toen zei mijn vader: ‘Dan moet je ‘t opsturen naar iemand die er verstand van heeft.’

We gingen thuis veel naar theater en hadden een la vol met programmaboekjes. En daar viste ik het programmaboekje van Jasperina de Jong uit. Toen heb ik mijn gedichten naar haar impresario gestuurd en via haar zijn de gedichten terechtgekomen bij Ivo de Wijs, de huisschrijver van Jasperina. En Ivo reageerde binnen een week. Het was dus geen sprake van moed, het was gewoon een blinde gok. Ik was heel erg verrast dat Ivo zo snel en uitgebreid reageerde. Elk liedje afzonderlijk beoordeeld: dit is goed, dit is goed, dit zou je anders kunnen doen. Hij besloot met: ‘Ga vooral door en stuur nog eens wat op.’”

Ivo haalde haar naar ‘Kinderen voor Kinderen’, regelde Harry Bannink als componist en die haalde haar op zijn beurt naar Sesamstraat, waarvan hij de huiscomponist was. Aart Staartjes zat in de redactie en belde haar. “En toen maakte ik opeens deel uit van het schrijverspanel voor Sesamstraat. Ik vond Sesamstraat zo goed omdat het een programma voor kinderen was, maar niet kinderachtig. Spijtig, heel spijtig dat het is wegbezuinigd.”

VOORDEURGEDICHTEN

Negen jaar geleden besloot Judith Nieken een gedicht op de voordeur van haar huis aan de Bollemanssteeg in Leeuwarden te plakken. Dat wilden anderen ook. “De buren reageerden heel enthousiast. Eerst de buren links, toen de buren rechts en steeds meer buren wilden ook een gedicht. Met de mensen uit de buurt hebben we twee keer per jaar een bijeenkomst. Zomers een barbecue en ‘s winters een nieuwjaarsborrel en daar zong het rond. Daar vroegen diverse mensen of ze ook een gedicht mochten. En langzaam maar zeker is de halve straat voorzien van een raam- of deurgedicht. Het is eigenlijk een beetje uit de hand gelopen.”

In aanloop naar Leeuwarden Culturele hoofdstad in 2018 liet ze een straatnaambordje maken met ‘Poëziesteeg’ en hing dat op aan een lantarenpaal. Het hangt er nog steeds.

Simon van der Woude

Oud-burgemeester Buma is fan van haar gedichten, zo bleek. Hij was informateur en wilde graag een gedicht van Judith cadeau doen aan de parlementaire journalisten die vaak urenlang staan te wachten voordat de politici naar buiten komen. Het gedicht kreeg in de media heel veel aandacht. Judith hoeft niet nodig zelf in beeld, laat liever haar gedichten spreken, maar dit vond ze natuurlijk wel speciaal.

Natuurlijk kun je stilstaan
bij wat was en bij wat moet,

bij weer en wind, bij alles
wat er wereldwijd toe doet,

maar stilstaan bij een deur
kan net zo goed.

Het is een oproep om stil te staan. Haar meeste raamgedichten hebben die boodschap: “Verlangzamen. Onthaasten. Stilstaan. En dan gewoon eens rustig zo’n gedicht tot je nemen. En dan aan het eind een glimlach en weer door. Dat is een beetje de strekking. Het is ook niet meer dan dat.” Voor haar eigen huisdeur dichtte ze:

En dat je oog dan midden in de stad
blijft hangen aan vier regels op een deur

en dat dat dan iets doet met je humeur,
niets minder en niets meer, alleen maar dat.

MEEST LIEFDEVOLLE GEDICHT

Wat is haar meest liefdevolle gedicht? “Dat gaat over mijn vader. Die is zestien jaar geleden overleden. Later had ik een ervaring die heel veel mensen wel zullen herkennen. Dat je ergens loopt en je vader ziet. Natuurlijk wist ik wel dat het mijn vader niet was, maar ik ging sneller lopen, tot vlak achter die vreemde meneer – even voelen hoe het was.”

Papa
Ik zag een man, hij leek op jou
Hij liep zon vijf, zes meter voor me

Zn rug, zn houding… God, ik hoor me
Nog denken: volg m, Judith, gauw

Meteen versnelde ik mn pas
Tot ik op twintig centimeter

Natuurlijk, pap, wist ik wel beter
Maar ik wou voelen hoe het was

Hoe jij je ook alweer verhield
Tot mij, de ruimte en de dingen

Het kwam terug, na zoveel jaar
Zo was het, pap, dacht ik bezield

En streek, ik kon me niet bedwingen
Toen namens jou zacht door mn haar

Haar grappigste gedicht vindt ze De wielrenner:

De wielrenner
De bergetappe bleek te zwaar te zijn
Boos keilde hij zn fiets in het ravijn

Om daarna te beseffen, potverdikke
Dat hij zn schoenen los had moeten klikken

Foto Simon van der Woude

“IK NEIG NAAR SOMBERTE”

Een antwoord op de vraag naar haar allermooiste gedicht vindt ze moeilijk, want wat is mooi. “Maar er is één gedicht waarvan ik denk: dat is wel geslaagd omdat het meer over mij zegt dan heel veel andere gedichten. Er zit meer van mij in dan mensen vermoeden. Ik neig naar somberte. Aangeboren melancholie. Valt mee te leven hoor. Maar wandelen en schrijven maken dat ik vrolijk word – zeker in combinatie. Ik dicht nogal eens als ik buiten loop. Dat zit in het gedicht Bloemlezing, dat begint met twee beroemde regels van J.C. Bloem.”

Bloemlezing
Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten
Voor de rechtvaardiging van een bestaan?

Ik zie een hoop ontkennende gezichten
Maar daarmee wordt het vers tekortgedaan

Zelf lees ik trouwens zelden zwaargewichten
Als J.C. Bloem: ik heb er weinig aan

Ik poog het leven juist wat te verlichten
De grijze leegte uit de weg te gaan

De grijze leegte en de grijze luchten
De regen, altijd regen, en de herfst

De somberte, de imminente doem
De wereld op zn doodst en zn verderfst

Toch hoor ik me bij vlagen krachtig zuchten
Want diep vanbinnen lijk ik wel op Bloem

Tot slot, wat drijft haar, wat is de motor bij het dichten? Ze denkt lang na en zegt dan: ”Lucht denk ik. En licht. Lucht en licht. Letterlijk en figuurlijk.”

Tekst: Ate de Jong

Fotografie: Simon van der Woude

Afbeelding
Afbeelding