Algemeen

Een doodgewone voetbalmiddag, met homohaat (met video)

Door: Radboud Droog

Ate de Jong schreef een opiniestuk voor de Leeuwarder Courant en deelde het ook met GrootLeeuwarden. “Pesten verlies je, tot een omstander jouw kant kiest.” Misschien is dit de belangrijkste zin uit zijn onderstaande column. De Jong werkte eerder bij Tûmba, het centrum voor gelijke behandeling. We plaatsen de column in de Week tegen het Pesten. De video is gemaakt door het team van GrootMedia.

Afbeelding
Foto Rosa Droog

“Het gaat slecht met de homo-acceptatie. En nee, dat komt niet alleen door de moslims, haasten de onderzoekers zich er bij te zeggen. Ik weet niet hoor. Het helpt volgens mij ook niet, het moslimgeloof. Maar zeker, homohaat kom je overal tegen.

Onlangs fietste ik door een dorp waar, voor zo ver ik weet, geen moslims wonen. Er werd gevoetbald. Dan hoop ik dat het een derby is. Het gevoel dat er iets heel belangrijks gebeurt en daarna de derde helft. Niks mooiers dan dat.

Deze dag loopt anders. Ik heb geen verstand van voetbal, maar dat hoeft ook niet om te kunnen zien dat de linksbuitencategorie is. Zijn snelheid, zijn passes op maat. Ook mooi om te zien: als hij een perfecte voorzet geeft en de spits scoort, viert die spits het doelpunt met hém. Scoren doe je nooit alleen.

‘Wie is dy jonge?’, vraag ik aan één van de mannen langs de lijn. ‘Syn soan’, zegt hij en wijst naar zijn buurman.

Na de wedstrijd zoek ik de vader op. Standaard vraag ik welk type supporter hij is: ‘Gedrage jo jo in bytsje, as heit?’ Hij zegt dat hij zich niet met het spel van zijn zoon bemoeit. Waarom zou hij ook. Die jongen is achttien en voetbalt veel beter dan hij ooit heeft gekund.

Hy is te leaf

‘Bin jo grutsk op him?’, vraag ik. ‘Hy is te leaf’, zegt hij. We halen om de beurt cola-berenburg en na drie blikjes zegt hij plotseling: ‘Jo binne toch dy man dy ‘t tsjin diskriminaasje is?’

‘Jo toch ek’, zeg ik.

Dan vertelt hij dat zijn zoon door jongens uit zijn team gepest wordt. Al jaren. Omdat hij te lief is. En misschien wel op mannen valt. Het begon met foute grappen in de kleedkamer. Daarna tijdens de derde helft. Zijn zoon reageerde rustig. De agressie werd giftiger. Onlangs werd zijn sportfiets paars gespoten.

Juist als Friese mannen elkaar aardig vinden plagen ze elkaar en in de kleedboxen zal dat niet altijd zachtzinnig toegaan. Maar dit is niet plagen, dit is pesten. Plagen gaat over en weer. En één tegen één. Zoals in het kaatsen: trik-trak. Pesters kunnen niet tellen, ze doen het het liefst met meerderen tegen één. En dan klinkt het als: tik-tik-tik. Verdedig je maar eens tegen een trio treiteraars. Misschien is dit de belangrijkste zin uit dit stukje. Een oproep aan omstanders.

Pesten kost miljarden

Het verhaal van de vader verbaast me niet. Het zijn niet alleen jongeren die pesten. Pestgedrag tussen ouderen kost de maatschappij miljarden per jaar.

‘Wie zijn die pesters?’, vraag ik. Hij geeft geen namen. Maar in de Friese dorpen blijft niks geheim, na even rondvragen weet ik wie het zijn, de pesters en de meelopers. Ik ken verschillende van hun vaders en moeders. Redelijke mensen.

Op de fiets terug maak ik een plan. Ik ga de pesters namen en shamen op Facebook. Met namen en rugnummers. Ik leg het plan voor aan vader en zoon. De zoon ziet er niks is, de agressie zou alleen maar groter worden.

Onmacht. En onmacht vind ik één van de moeilijkste emoties. Het gevoel dat je niets kunt doen. Ja, een stuk schrijven voor de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad.

‘Meest bepalende daad van mijn leven’

Op dat stuk komt een schokkende en tegelijk prachtige reactie, van een hele goeie cafékennis uit Leeuwarden. Hij appt: ‘In mijn jonge jaren op de lagere school kenden ze het woord ‘homo’ volgens mij niet, ze scholden mij uit voor ‘meisjesgek,’ tja, dat lijkt trouwens eerder superhetero. Pijnlijker waren de twee keer dat ze mij een hersenschudding bezorgden. Een voordeel daarvan was wel dat ik twee keer zeven weken in bed moest blijven. Geen school! Dat was een fantastische bonus.’

Een keer sloeg mijn kennis terug: ‘Ik ging los op de hoofdpester, ze moesten me van hem afhalen want ik was bezig hem te vermoorden. Toen mocht ik ineens bij die pesters horen.’

Later werd een lotgenoot gepest. En toen is mijn kennis naast hem gaan staan. Hij koos zijn kant. ‘Daar ben ik nog altijd trots op’, zegt hij. Hij noemt het zelfs ‘de meest bepalende daad voor de rest van mijn leven.’”