Hubert Heeringa werkt keihard bij Beste Zangers
LEEUWARDEN - Hij werd niet aangenomen op de muziekopleiding. Op eigen kracht, en met de steun van zijn muzikale vader en moeder, ontwikkelde Hubert Heeringa (61) zich tot een landelijk zeer gewaardeerde muzikant. In tv-programma’s als Beste Zangers en Memories bescheiden op de achtergrond, maar altijd met die kenmerkende bandana, een zwarte hoofdband.

Tekst Ate de Jong, fotografie privé archief
In huize Heeringa in Leeuwarden was muziek als ademen: een voorwaarde om te leven. Moeder Silvia speelde viool en piano en was concert-meester bij het Frysk Orkest. Vader Gerrit was hoornist bij hetzelfde Orkest en dirigeerde talloze Friese korpsen. Hij was een knappe man, deed denken aan Leonard Bernstein, en zij een prachtige vrouw. “Als zij binnenkwamen dan kwam er ook iemand binnen”, zegt Hubert. “Mensen zeiden soms: ‘Het koninklijk huis is er ook.’”
Hubert kreeg vioolles van zijn moeder, maar hij viel niet voor de viool. Hij vond het geen hip instrument. Hij hoorde een jazzsaxofonist en wist: dat wil ik ook. Zijn vader regelde een oude altsax via het korps Aurora in Sint Jacobiparochie. Hubert had zijn moeder moeten beloven dat hij ook viool bleef spelen, maar deed dat met tegenzin. Hij nam oefeningen op, zette die op een cassettebandje en speelde dat dan af. Zo leidde hij zijn moeder, die beneden meeluisterde, om de tuin. Maar dat duurde niet zo lang. Waarom hij toch steeds dezelfde fout bleef maken, vroeg zijn moeder.
Hij werd niet aangenomen op muziekopleidingen. Te autonoom, denkt hijzelf. Of te dwars? Te rechtuit? Hubert ontwikkelde zichzelf en zou uitgroeien tot zeer gewaardeerd muzikant. Multi-talent bovendien. Hij speelt: viool, tenor-, sopraan-, bariton- en altsaxofoon, bugel (“een beetje”), chromatisch mondharmonica, percussie: tamboerijn, de grote conga’s, maar ook het kleine eitje. Eindeloos kan hij oefenen met dat eitje.
EWI: magisch
En hij speelt EWI, het Elektronisch Wind Instrument, een blaas synthesizer. Hij heeft er nu tien, maar zijn eerste EWI kocht hij bij Bob de Jong in Leeuwarden. Daar werkte de saxofonist Hans Wijnbergen. “Hans zei: ‘We hebben nu een ding, een verschrikkelijk dom ding, ziet er niet uit, maar waarschijnlijk vind jij het hartstikke leuk.’” Dat had Hans goed gezien. Voor Hubert ging een wereld open. Alsof hij altijd met één potloodje had getekend en nu een complete box van Bruynzeel met al die kleuren tot zijn beschikking had. Magisch!
Hij zal zichzelf geen superviolist noemen. Dat hoeft ook niet. Hij hoeft Paganini niet te spelen. “Je moet met je muziek een verhaal kunnen vertellen, daar gaat het om.” Hij werd leider van talloze begeleidingsorkesten. Hij speelde met Jenny Arean, Willeke Alberti, Herman Brood, Danny de Munk, Gerard Cox, Ali B. en Paul de Leeuw. Beleefde een prachtige tijd met Cirque du Soleil. Was saxofonist/violist in de band van het KRO-programma “Memories” en speelt in de begeleidingsband van de Toppers en Beste Zangers.
Op tv kijkt hij altijd zo ernstig: “Klopt. Mensen zeggen ook wel dat ik vaak wat boos kijk. Maar volgens mij is het puur concentratie. Mijn moeder was ook altijd zeer geconcentreerd. Andere mensen zeggen dat ik rust uitstraal. Dat heb ik waarschijnlijk van mijn vader. Als iedereen voor een concours zenuwachtig was, keek hij de muzikanten aan en zei: ‘Het komt wel goed.’”
Bandana
Een bandana, een zwarte hoofddoek, ooit gedragen door cowboys, treinmachinisten en mijnwerkers in de VS, werd zijn kenmerk. Dat ontstond toevallig: “Met Ten Sharp zaten we in de brandende zon op Curaçao. Toen gaf iemand me een doek.” Iedereen vond dat het hem mooi stond, zo’n doek. Nu draagt hij de bandana bij alle optredens. Het werd zijn merk, met een modern woord: brand. Na tv-optredens herkennen mensen hem van de hoofddoek.
Zo’n bandana heeft meerdere voordelen: “Op het toneel is het soms heel warm, dan loopt het water je in de ogen. De doek neemt het zweet op. Als je in de zon zit verbrand je je kop niet en ‘s winters is ‘t lekker warm.”
Heeft hij nog een beleid qua bandana? “Zeker. Het moet een katoenen doek van een vierkante meter zijn. En dan verf ik ze zwart. Ik heb een hele lading doeken. Voor elk optreden een schone doek. Speelt ijdelheid nog een rol? ”Nee, totaal niet.” Of de mysterieuze, sexy uitstraling? “Neu... daarom draag ik het niet. En sexy, dat zal ik niet snel over mezelf zeggen.”
Is hij bij tranentrekkende programma’s zoals Beste Zangers zelf wel eens ontroerd? “Nee, want het gaat mij niet aan. Ja, één keer bij een programma voor Kika. Dan hoor je die verhalen van ouders van kleine kinderen met kanker. Hartverscheurend. En als je dan zo’n verhaal hoort en je moet daarna spelen… Maar ik gebruik het verhaal dan ook als brandstof, om nog beter spelen. En op de dag dat mijn vader werd gecremeerd moest ik spelen met Rob de Nijs. En Rob zong ’Foto van vroeger.’ Een prachtig liedje. Dat kwam wel even binnen.”
Sommige fans gaan ver
Sommige mensen vonden Rob de Nijs moeilijk, maar Hubert kon goed met hem opschieten. En met Ali B? Ook. Soms vragen mensen hem: “Had je Ali B. niet op z’n gedrag kunnen aanspreken?” Maar Hubert was er nooit bij. Hij meed de feestjes met drank en drugs na afloop, was al lang weer op weg naar Leeuwarden. En vergis je niet, zegt hij, sommige fans gaan heel ver in hun adoratie: “Als je ziet hoeveel vrouwen geobsedeerd zijn door bekende artiesten. Daar moet je wel tegen kunnen. En het kan ook tegen je gaan werken als je die fans even geen aandacht geeft. Dat ze pissig worden.”
Keihard werken
Wat hem wel eens stoort: mensen hebben een veel te rooskleurig beeld van het artiestenbestaan. Dat de muzikanten onderdeel zouden zijn van de wereld van het grote geld, glamour en glitter. “Mensen denken dat je heel rijk bent als je regelmatig op tv bent. Een groot misverstand. De meeste muzikanten hebben geen nagel om de kont te krabben. Ik kan er redelijk van leven, maar ik werk me ook de pleuris. Het is keihard werken. Bij Beste Zangers heb je verschrikkelijk lange dagen. Dan begin je om tien uur op locatie en ‘s nacht om een uur of vier ben je weer terug in je hotelkamer. En dat gaat zes dagen zo door. Gelukkig steunt Josephine, mijn vrouw, me geweldig. Dat is echt een fantastische vrouw.”
Een jaar geleden kreeg hij een herseninfarct. Goed afgelopen, gelukkig. Na veertien dagen reed hij al weer auto. Het sturen voelde eerst vreemd, alsof er een pleeborstel in zijn hoofd zat, maar wende al snel. Hij is er weer. Nuchter: “Ik ben de zestig gepasseerd, dan weet je het: dan komen de ongemakken.”
Perfectionist
Hubert neemt zijn vak uiterst serieus. Is perfectionist, bereidt zich heel goed voor en verwacht dat ook van anderen. Hij is wel eens uit een groep gegooid vanwege zijn perfectionisme. Anderen vonden hem intimiderend. Onzin, vindt hij, maar ja, hij verwacht wel inzet van de andere bandleden: “Ik ben kritisch op mezelf en ook op anderen. Als iemand zit te prutsen, dan zeg ik dat. Maar intimiderend? Dan kun je nooit meer iets zeggen. Ik trek mensen echt niet over het podium heen.”
Tegelijk relativeert hij de muziek ook. Natuurlijk is muziek belangrijk. Bij feesten, concerten, begrafenissen. “Maar voor mij is het gewoon werk”, zegt hij. “Als ik morgen een miljoen win, dan zet ik alles op Marktplaats.” En dan, wat gaat hij dan doen? “Misschien wel iets met vluchtelingen en muziek, want muziek is een universele taal.”
