Als je weet wie je bent, is de ander geen bedreiging
Mirka Antolovic is directeur van Tûmba Leeuwarden, het kenniscentrum en meldpunt voor discriminatie en diversiteit. In haar werk houdt zij zich bezig met uitsluiting en ongelijkheid. Als vervolg op het artikel ‘Femicide: elke acht dagen een vrouw’ (Zomers Groot Leeuwarden) spreekt redacteur Marije de Lange haar over haar persoonlijke ervaringen als vrouw, de rolpatronen die zij ziet ontstaan bij jongeren en of zij de politieke agenda ook inkleurt met het thema ‘gendergerelateerd geweld.’

Tekst Marije de Lange, foto's Marieke Balk en Piet Douma
Mirka, hoe is het voor jou om vrouw te zijn in deze tijd?
“Ik weet niet hoe het is om iets anders te zijn, ik ben graag vrouw. En van alle tijden ben ik blij dat ik nu leef. Als ik lees hoe het vroeger was voor vrouwen, met die verwachtingen, dan was ik waarschijnlijk een erg ongelukkige vrouw geweest.”
Welke verwachtingen bedoel je?
“Altijd gehoorzaam en dienstbaar zijn aan de man, altijd thuis zijn. Ik had daar nooit in gepast. Ik ben benieuwd hoe ik in dat geval had geleefd: was ik dan de heks van het dorp geworden?”
Heb je zelf onveiligheid of ongelijkheid ervaren?
“Te vaak. Op de fiets, in de lift, eigenlijk overal. Voornamelijk ’s avonds laat. Dat gevoel: wat stapt er nu in? Die alertheid is er altijd als vrouw zijnde. Dit is ook een terugkerend thema van gesprek met vriendinnen. Terwijl ik liever óók denk vanuit de dader: Waarom doet iemand dit? Deze vraag hield me nog sterker bezig toen ik zelf zonen kreeg. Het gesprek ging altijd over: hoe bescherm je je dochter? Maar dan ben je al te laat, dan is er al iets fout gegaan. Het gaat niet om dochters beschermen, maar om zonen opvoeden. Dat is geen beschuldiging, maar een verantwoordelijkheid. Ook voor vrouwen.
De meeste ervaringen zijn op werkgebied: tijdens mijn zwangerschap kreeg ik geen loonsverhoging. Ik haalde mijn targets niet. Er werd vanuit gegaan dat ik minder zou gaan werken. En toen ik ooit informeerde naar een andere baan bij een mannelijke collega (binnen de politie, red.) , werd mij ‘de balie’ voorgesteld: zo’n ‘mooie vrouwenfunctie’. Terwijl ik een strategische functie had!”
De bekende typegeit.
“Precies ja.”
Taal speelt ook een rol.
“Absoluut. Ik heb er een bloedhekel aan als ik ‘pittig’ wordt genoemd. Dat hoor je nooit over mannen. Of ‘meisje’, vaak gezegd door oudere mannen, daar maak ik me niet druk over, hoor. Het heeft ook wel iets aandoenlijks. Maar die toon zit er wel altijd achter. Toen ik directeur werd - ik werkte toen al jaren bij Tûmba - werd ik plotseling als ‘meneer’ aangeschreven. Daarvoor nooit.”
Seksistische grappen worden vaak gebagatelliseerd.
“Mijn man accepteert ze niet. Punt. Juist dat valt op. Mannen corrigeren elkaar niet onderling. Een man van vijftig die iets zegt over een meisje van zeventien, die bijna zijn kleindochter kan zijn - en anderen lachen mee. ‘Het is maar een grap.’”
Femicide is de meest extreme vorm van gendergerelateerd geweld. Jij denkt dat femicide niet toeneemt, maar dat het zichtbaarder wordt. Waarom denk je dit?
“Vroeger werd er niet over gesproken, het hoorde erbij. Nu pikken we dat niet meer. Als kind ergerde ik me al aan opmerkingen als: ‘Ja, maar zij is ook geen heilige.’ En hij dan?!”
Is daar een zaadje geplant voor waar je vandaag de dag staat?
"Dat denk ik wel, ja! Mijn oma was heel sterk, zij was dominant over mijn opa. Plus: ik ben opgegroeid met een alleenstaande moeder, dus zonder vaderfiguur."
Wat moet er veranderen in de maatschappij om vrouwengeweld te verminderen?
“Onze zonen beter opvoeden: dat is mijn enige overtuiging. Daar spelen de vrouwen dus ook een rol. En: voed ook je dochters op. Wat ook meespeelt is de dynamiek tussen de seksen: ‘het spel’. Die dynamiek zal er altijd zijn. We zijn best primitief, in de biologische zin. We zullen ons moeten voortplanten. Dus we moeten die interactie (tussen mannen en vrouwen, red.) ook wel ergens houden. En daar zullen dingen fout gaan.”
In Scandinavië speelde een voorstel: ‘contractuele geslachtsgemeenschap’. Lost dit wat op?
“Klopt, beide partijen moeten dan ondertekenen voorafgaand aan seks. Dit gaat te ver. Daar moeten we niet heen willen.”
Waar ligt de grens tussen compliment en overschrijding?
“Oprecht: geen idee. Veel mannen beseffen niet wat opmerkingen doen. Net als jij (in het eerdere artikel in Groot Leeuwarden, red.) leg ik de link met rolpatronen. Ons brein wil categoriseren om te overleven. Maar niemand past echt in een hokje. Wie afwijkt, valt op. Of dat nou positief of negatief is.”
Je benoemt ook fysieke ongelijkheid.
“We zijn niet in alles gelijk. Vrouwen zijn meestal fysiek zwakker. Dat moeten wij vrouwen accepteren. Mannen moeten fysiek leren afremmen en vrouwen mogen mentaal afremmen. We moeten elkaar aanvullen.”
Wat zie je bij jongeren?
“Een enorme worsteling, vooral bij jongens. Meisjes zijn onzeker over hun uiterlijk, jongens over hun rol. Wat mag je nog zijn? Wat mag je zeggen? Ze zoeken houvast en vinden dat bij radicale influencers als Andrew Tate. Je ziet uitersten in het klaslokaal: overdreven aanwezig of volledig teruggetrokken.
Wat mist is de ruimte om te zoeken.
"Bijna iedereen zit in het midden, maar dat midden durft zich niet te uiten. Jongens vragen zich af: mag ik gevoelig zijn? Mag ik verzorgd zijn of ben ik dan meteen een homo? Mag ik twijfelen?”
Twijfelen mag niet?
“Klopt. Meisjes zijn in hun houding, net als jongens, heel sterk of heel timide. Beide zoeken ook aandacht van elkaar. Je ziet direct die dynamiek in de klas.”
Opnieuw: het spel tussen de seksen.
“Inderdaad. Misschien moeten we helemaal back to the basics.”
En dat is?
“Aan elkaar snuffelen; bijna zoals kleuters. Steeds vaker vragen leerkrachten aan ons handvatten: hoe kunnen we het gesprek aan gaan. De scholen willen een veilige omgeving voor iedereen. Ze zien dat dat niet lukt door alleen regels te stellen. Deze generatie vraagt net iets meer.”
Jij voelt je sterk verbonden met Friesland. Waarom?
“Friezen weten wie ze zijn en zijn daar trots op. Toen ik in Nederland kwam wonen, vond ik het zo gek dat niemand het Nederlandse volkslied kende! En: je mag niet roepen dat je Nederlander bent. Twintig jaar geleden bij Tûmba was dat bijna vloeken in de kerk; ‘dat is nationalistisch!’ En nationalistisch is per definitie niet goed, terwijl ik denk dat het niet per definitie slecht is. Zolang je je niet boven de ander plaatst. Daarom voelde ik me altijd veel meer thuis bij de Friezen. Daar voelde ik me niet buitengesloten.”
Die overtuiging komt ergens vandaan.
“Uit Bosnië. Wij hebben drie religies."
Mijn oma leerde me: als je zelf weet wie je bent, kun je de ander ook beter begrijpen en respecteren.
"De ander is geen bedreiging, maar een aanvulling. Ik kon net zo lief naar de moskee als naar de Katholieke en Oosters-orthodoxe kerken gaan, ik vierde graag driedubbel de feestdagen.”
Je bent ook raadslid voor de PvdA. Hoe groot is die rol op dit vlak?
“Officieel mag ik dit thema niet aanraken vanwege mijn werk bij Tûmba. Wel heb ik veiligheid en prostitutie in mijn portefeuille, en probeer ik in debatten altijd die andere kant te belichten. Ik zie mezelf in de eerste plaats als volksvertegenwoordiger: luisteren naar wat er gebeurt, wat er bij de inwoners leeft en dat vertalen naar de politieke arena.”
Verandert er iets?
“Soms wel. Maar echte verandering begint bij verantwoordelijkheid nemen. Wat ligt er binnen jouw macht, jouw rol?”
Wat is volgens jou de sleutel?
“Luisteren, verantwoordelijkheid nemen en durven reflecteren. Erkennen dat je zelf onderdeel bent van het probleem én de oplossing. Niemand doet het perfect. Ik ook niet.”



