Algemeen

Elke dag een blij mens

Door: Radboud Droog

TYTSJERK Voor wie hem kent en af en toe spreekt, is het geen geheim: een gesprek met Simon Andringa doet je goed. Niet omdat hij voortdurend met levenswijsheden strooit, maar omdat hij ze ongemerkt uitdraagt. Een mens dat deugt, zou historicus Rutger Bregman meteen bevestigen. Simon heeft die gave: hij laat je na twee uur lichter vertrekken dan je binnenkwam. En alsof het erbij hoort, krijg je bij het afscheid een doosje dadels mee. “Die geef ik altijd na een ontmoeting,” zegt hij, bijna achteloos. Dankbaarheid kost niet veel.

Simon:
Simon: "Voor mij zijn de dagen er om lief te hebben" Rosa Droog

Tekst Radboud Droog, fotografie Rosa Droog

GrootLeeuwarden treft hem in zijn bungalow in Tytsjerk, net in de schaduw van de bomen van park Vijversburg. Een prachtig plekje. Een stijlicoon van binnen en buiten. Geboetseerd in de handen van Simon die er een modern huis van maakte. Kunst aan de muur en op de grond of op tafel. Kleuren en abstracte composities die pas elkaar passen, volgens de filosofie van Simon. Maar hij is niet het type dat gaat zitten kijken hoe mooi het is en het daarbij laat. Zijn huis is niet alleen een plek van rust, maar een uitvalsbasis. Er wordt gepland, gelopen, getraind en geklust. Op de drempel van het jaar van zijn tachtigste verjaardag – en wie het niet weet schat hem gerust vijftien jaar jonger – kijkt de geboren Leeuwarder terug en vooruit. Want ja, er is nog van alles te doen. Een paar marathons lopen bijvoorbeeld. “Jongen, ik bruis gewoon van energie!” 

Om het begin te beginnen: Simons wieg stond aan de Derde Saskiadwarsstraat in Leeuwarden. “Daar heb ik één jaar gewoond,” zegt hij. Daarna verhuisde het gezin naar Kleyenburg, op een schiereilandje aan het Vliet. Een kleine boerderij, elf koeien. Niet groot, wel intensief. 

Sloten hekkelen
“Als we uit school kwamen, dan stond er een bakje met wat tomaatjes en een kop thee. En dan kon je naar het land toe,” vertelt Simon. Eerst werken, dan eten. In de zomer was het spitsuur: hooien, harken, op rijen zetten, bulten maken voordat de regen je werk wegspoelde. En tussendoor: sloten “hekkelen” - sloten leeg halen, rotzooi eruit. Handwerk, altijd weer. In een gezin van zes kinderen was iedereen paraat.

Ze waren katholiek en gingen naar de Bonifatiusschool, bij de Voorstreek. Eerst soms naar de kerk, nuchter want zo hoorde dat. Met een broodtrommeltje mee. Kokosbrood, zegt Simon, en ook een “broodje met tevredenheid”: alleen boter. “Soms een mariakoekje ertussen.” Hij lacht erom: het was niet royaal. Het was wel warm.

En er waren regels die tellen. Voor zijn vader waren er drie cijfers op het rapport heilig: gedrag, vlijt en ijver. “Als die drie een acht waren, dan was jij de beste van de wereld,” zegt Simon. Rekenen, tekenen, dat maakte minder uit. Gedrag-vlijt-ijver: handen laten wapperen. Dat zit er nog steeds in.

Vader was trots
Thuis was het geregeld feest. Vriendjes en vriendinnetjes wilden graag mee naar Kleyenburg, naar het boerderijtje met een hooibult, stal en bootje. “We organiseerden feestjes in de stal,” zegt Simon. “Dan was die stal schoon, koeien naar buiten, en wij vonden het ondanks dat we hard moesten werken toch een feestje bij ons thuis.”

Na de lagere school ging Simon naar de technische school in Leeuwarden. Timmeren, metselen. Het paste bij hem: doen, maken en  bouwen. Hij won zelfs de zilveren troffel bij een wedstrijd in Rotterdam. Zijn vader was trots, natuurlijk. Kijk nou: die jongen kan wat. En Simon zelf? Die ging door. Want stilzitten was geen optie. Hij ging werken bij het Fries Bouwbedrijf, als timmerman. Ondertussen studeerde hij door. Tien jaar avondstudie via het Bouwkundig Studiecentrum Zwolle. Overdag werken, ’s avonds studeren. 

Stapelgek
Het gezinsleven begon vroeg. Hij was 21 toen hij achter de kinderwagen liep. Drie kinderen kwamen er, met korte tussenpozen. Een periode die Simon “fantastisch” noemt, en dat woord gebruikt hij niet zuinig. Hij is stapelgek op zijn kinderen, dat merk je aan alles. Hoe hij namen laat vallen, jaartallen weet, routes nog kan tekenen van oude woonplekken, en vooral: hoe hij glimt als hij het over ze heeft.

Later stapte hij over naar de volkshuisvesting, een woningcorporatie die uiteindelijk opging in grotere fusies. Daar voelde hij zich op zijn plek: bouwkundig opzichter, verantwoordelijkheid, organiseren en vooruitdenken. “Een fantastische baan,” zegt hij. 

En dan, veel later, gebeurt er iets waar Simon nog steeds voorzichtig omheen praat, maar dat wel het breekpunt is in zijn verhaal: zijn vrouw vertrekt onverwacht. Het gezin is volwassen geworden, de zonen gaan met de auto weg, de kinderen vliegen uit en dan zegt zij: ik ga ook weg. “Plotseling stortte mijn hele wereld in,” zegt Simon. 

Kantelpunt
Hij had verdriet. Veel verdriet zelfs. Maar typisch Simon: hij zette eerst de praktische dingen recht. Hij hielp haar aan een woning en hielp mee bij de verhuizing en het opknappen. Omdat hij vond dat het moest. “We moesten proberen dat we dat goed met elkaar afsluiten. Ook naar de kinderen toe.” Daarna werd hij nog meer een doener. Werk als vlucht, gedachten wegcijferen. “Ik was niet te stuiten,” zegt hij. “Dat is een vlucht. Maar het ging wel ten koste van jezelf.”

Hij ging op reis: weg uit zijn gedachten, naar zijn zus in Melbourne en vrienden in Nieuw-Zeeland. Die reis deed hem goed. ,,Na twee maanden kwam ik als herboren terug.” En precies daar, op dat kantelpunt, kwam het lopen binnen.

Het begon klein. Via een skivereniging die de conditietraining in het bos achter zijn huis organiseerde. Oefeningen, een stukje hardlopen en daarna met de groep ergens koffie of gebak. “En dan gingen we tien kilometer lopen. Toen twintig,” vertelt Simon. Iemand zei op een dag: dan kunnen we ook wel eens een marathon lopen.

Zijn eerste marathon was Slachtemarathon, in 4 uur 14. “Ik was zó gelukkig,” zegt hij. Het smaakte naar meer. New York kwam in beeld. Hij ging met een maatje mee, trainde strakker en werd mentaal scherper. In New York kwam hij binnen in 4 uur 01. “De wereld ging open,” zegt Simon. “Fantastische stad. Iedereen groette je. Die medaille was goud waard.”

De Big Six
Daarna ging het sneller. Rotterdam: 3.53. Amsterdam in 3.49: zijn snelste marathon ooit. En ondertussen werd het lopen méér dan sport. Het werd een manier van leven. Lopen gaf hem weer houvast, vrijheid, lucht. Hij trainde drie keer per week, later vijf of zes keer. Hij voegde krachttraining toe en leerde zijn lichaam lezen, sparen en slim plannen. Hij hoeft niet te winnen.

Simon liep na zijn zestigste inmiddels 23 marathons. In binnen- en buitenland. Hij kwam in contact met een groep marathonlopers die internationaal reisde. En ergens, in Boedapest, hoorde hij voor het eerst over de “Big Six”: de zes grootste marathons van de wereld. New York, Londen, Chicago, Boston, Tokio en Berlijn. Simon had er al een paar op zijn naam staan. En toen dacht hij: dan ga ik die ook halen.

Boston werd de zwaarste beproeving. Nul graden, sneeuw, storm: een marathon die één lange weg vormt, vol in de wind. Simon raakte onderkoeld, wist bij dertig kilometer van de wereld niets meer. Twee keer zat hij in een medische tent, onder isolatiedekens en een beker warme bouillon voor zijn neus. En twee keer zei iemand tegen hem: ‘You can do it and you will do it!’

Verkleumd
Hij liep de laatste kilometers met die dekens nog om. Volledig verkleumd finishte hij in tranen. “Ik was zó’n gelukkig mens,” zegt hij. Het was zijn slechtste tijd - rond de 5.35 - maar misschien wel zijn grootste prestatie. Daarna volgden Tokio, Chicago en Londen. Op 77-jarige leeftijd haalde hij de Big Six. “De oudste Nederlander,” zegt Simon. “Dat stond in de kranten.”

Wat Simon misschien nog het mooist vindt: dat het lopen hem niet alleen iets bracht, maar hem ook dichter bij zijn kinderen en kleinkinderen houdt. Hij praat over ze alsof ze nog thuis op de bank zitten, terwijl ze al lang zijn uitgevlogen. Hij glundert als hij vertelt dat hij drie kinderen en zeven kleinkinderen heeft. “Daar ben ik elke dag blij mee,” zegt hij.

Met kleinzoon Daan liep hij al een marathon in Málaga en Valencia. En nu komt er een volgende. Simon wordt op 19 september 2026 tachtig. In oktober wil hij in Amsterdam lopen met kleinzoon Gian, die nu ook oud genoeg is om zich in te schrijven. “Dat betekent ook dat ik door moet gaan,” zegt Simon.

Blijven bruisen
In 2025 liep hij Sydney en had daarmee de “Big Seven” te pakken. In mei 2026 staat Kaapstad op de planning. Tijd is niet meer belangrijk, zegt hij. Uitlopen wel. Gezond blijven. Binnen de limiet. En vooral: blijven bruisen.

Simon werkt naast het lopen veel. Vrijwillig. Hij is gastheer in Neushoorn en bij andere evenementen en voorstellingen in en rond Leeuwarden. Hij houdt van reuring. Hij ziet elk nieuw bouwwerk, volgt de culturele ontwikkelingen en zoekt bewust jonge mensen op, omdat zij volgens hem op een andere, vaak wat positievere manier in het leven staan. “We hebben het zo goed in dit land,” zegt hij. “Laten we toch wat minder zeuren en vaker tevreden zijn.”

Zelf koestert hij wat hij heeft, ook omdat hij weet hoe kwetsbaar het is. Zijn ouders overleden jong. Daarom is Simon zo blij met zijn gezondheid. Daarom is hij zo trouw aan zijn lijf. Daarom rent hij. En daarom geeft hij dadels mee na een gesprek. Een klein ritueel, een klein gebaar. Dadels met pit. “Want je moet altijd wat uitspuwen in het leven,” zei een goede vriend hem eens. “Voor mij zijn de dagen er om lief te hebben.”

Na ruim twee uur zit het gesprek erop. Een ervaring rijker en met een doosje dadels in je jaszak realiseer je je: sommige mensen rennen niet van het leven weg. Ze rennen er juist in.

Een broodje met tevredenheid heeft alleen boter