Tsjerk Bottema over de Fryske literatuur en nieuwe trends: ‘De zolderkamerschrijver is passé, podiumpresence is van nu!’
LEEUWARDEN - Tsjerk Bottema werd geboren in Reduzum en groeide op in Weidum. Zijn vader, Sjoerd Bottema, is prozaschrijver. De oprjochte Fries kreeg de literatuur dus van kinds af aan mee: Tsjerk is vertaler, tekst- en toneelschrijver en regisseur in het Friese amateurtoneel. In 2024 kwam Bottema’s jongensdroom uit: sinds het einde van dat jaar is hij eindredacteur van het literair tijdschrift de Moanne. De Moanne besteedt tevens aandacht aan beeldende kunst, muziek en theater.

Het tijdschrift bestaat dit jaar 25 jaar: reden voor een feest.
GrootLeeuwarden praat na afloop van literair netwerkevenement Lettertreffen met Tsjerk over traditionele literatuur ‘op papier’ en nieuwe trends zoals hybride schrijvers. En waar blijft toch die nieuwe Geert Mak?
Tsjerk, in de voetsporen van heit, of een selfmade man?
“Die vraag krijg ik vaker. Als ik mag kiezen is het toch het laatste, ondanks wat anderen misschien denken. Heit en ik delen dezelfde genen en interesses, en ik heb veel cultuur meegekregen vanuit huis. Zoals theater.
Uiteindelijk moet je het zelf doen. Als ik er niets van gebakken had en ik vond er niets aan, dan was ik iets heel anders gaan doen.”
Hebben heit en jij ooit samengewerkt?
“We hebben éénmaal samen in het Iepenloftspul van Jorwert op de planken gestaan (in Dûbele Nelson, 2007, red.). We hebben beiden veel toneel gespeeld. De laatste jaren ben ik vooral bezig met regie en toneelschrijven.”
Je bent geboren in Reduzum en opgegroeid in Weidum. Waar woon je nu?
“In Leeuwarden. Na mijn studententijd in Groningen was ik een van de gelukkigen die in de zelfsturende woongroep in de Haniahof in Leeuwarden kon wonen. Ik ben naar Friesland teruggekeerd vanwege deze woongroep, ik had toen echt nog geen zin in ‘huisje boompje beestje’.”
Terug naar het Friese, dus.
“Ben ik ooit weggeweest? Als student in Groningen was ik actief bij het FYK (Frysk Ynternasjonaal Kontakt, red.). Vanuit deze organisatie gingen we op uitwisseling met jongeren uit andere minderheidstaalgebieden. Zo reisden we naar Italië, Slovenië en Duitsland. Vlakbij Triëst liggen Kroatië, Slovenië en Italië dicht bij elkaar. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er op die grens een Sloveense taalminderheid - in Italië. De eigen identiteit en taal vond ik toen al interessant.”
Wanneer begon je met toneelspelen?
“Tijdens de studie Nederlands in Groningen speelde ik in een toneelclubje. We speelden stukken van bijvoorbeeld W.F. Hermans. We hebben een Middelnederlandse klucht gespeeld, Lippyn, de tekst was in het Middeleeuws Nederlands. Maar onze kostuums en de muziek waren modern. We kozen bewust voor dat contrast. Er zat ook seks in die klucht.”
Hoe zag die seks er dan uit?
“We hadden een schimmenspel bedacht met een scherm, het licht daarachter wekte de suggestie van een pijpscène. Deze scène ging vergezeld van het nummer ‘Short Dick Man’, van de Amerikaanse hiphouseformatie 20 Fingers en rapper Gillette (een liedje waarin vrouwen grappen maken over het penisformaat van de man, red.).”
Size matters zeg maar. Lekker provoceren dus.
“Ja, de hoogleraar hebben we wel geshockeerd met deze uitvoering van het stuk. Maar, we speelden bestaande stukken uit de Nederlandse literatuur, dus ik heb het niet zelf geschreven.”
Het jonkje Tsjerk in de dorpen, waar hield hij zich mee bezig?
“Veel met toneel al. We traden toen met de jeugdclub van Weidum met een eigen musical op in De Harmonie. In 1991 speelde ik al eens in het Berne-Iepenloftspul, in Jorwert.
Komt er ooit een roman van Tsjerk Bottema?
“Dat ben ik niet direct van plan. Het lijkt me een hele onderneming. Maar zeg nooit nooit. Ik houd het nu bij redactie en toneelschrijven.”
Wat niet is kan nog komen.
“Wie weet.”
Terug naar vandaag. Het thema bij Lettertreffen was ‘nieuwe vormen van uitgeven’. Wat zijn die nieuwe vormen?
“Het belangrijkste voor iemand die vandaag wil schrijven en publiceren, is om te weten welk podium daarvoor het beste is. En hoe verhouden die verschillende podia zich tot elkaar? Zelf onderzoek ik ook mijn rol als eindredacteur, en de functie van een tijdschrift in het literaire veld vandaag de dag.”
Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen vroeger en nu?
“Ik heb een exemplaar mee van de Trotwaer uit 1989: een Fries literair tijdschrift dat opgegaan is in de Moanne. Als je Trotwaer nu openslaat, dan lijkt het alsof het van veel langer geleden is. Je ziet vooral veel tekst. Destijds was dat genoeg als je als dichter of schrijver wilde debuteren. Het is nog altijd belangrijk dat je gepubliceerd wordt, maar je moet nu ook gezien worden, door bijvoorbeeld op een podium te staan.”
Leg uit.
“Wat bijzonder is, is dat de Friestalige poëzie het nog beter doet dan Friestalige proza. Dat komt doordat veel, vaak jonge, dichters makkelijk een podium opstappen. Misschien is publicatie wel je doel, maar ga je eerst met spoken word het podium op. Dat past bij jonge mensen en bij deze tijd.”
Zijn er hierdoor meer schrijvers dan lezers?
“Dat werd net gezegd bij Lettertreffen, en misschien klopt dat. Maar wat is een lezer? Is dat iemand die een boek leest? Of kan het ook iemand zijn die in het publiek zit en jou een gedicht hoort voordragen? En als ik in de auto een podcast aanzet, waarom zou ik dan geen lezer zijn? Ik denk dat de definitie van lezer, als iemand die een boek koopt en dat leest, te nauw is.”
De definitie van lezer is flink opgerekt.
“Inderdaad.”
En wanneer ben je een schrijver?
“Dat was zojuist ook een vraag; je moest je hand opsteken als je schrijver bent. Moet dat per se? Ik vind dat zelf ingewikkeld hoor...”
Valse bescheidenheid, want volgens mij ben jij een schrijver.
“Ik ben er zelf nog niet over uit of ik dat ben. Los van mijzelf denk ik dat een schrijver niet per se een boek gepubliceerd hoeft te hebben. Een schrijver is ten diepste iemand die een publiek bereikt. Dat kan door een boek, maar dat kan ook door een live-ervaring zijn.
In de Middeleeuwen konden de mensen niet lezen. Toen was er de bard die verhalen bracht aan het publiek (een bard is een oud beroep en combineert muziek met voordracht, red.). En in 2016 won Bob Dylan de Nobelprijs voor Literatuur (Dylan won die prijs voor het scheppen van nieuwe poëtische uitdrukkingsvormen in de Amerikaanse liedtraditie, red.). Maar lees je een liedje?”
Vandaag heb je stage presence nodig!
“Volgens mij is het allebei nodig, je moet zelf schrijven én de boer op met je werk. Je moet erover kunnen vertellen. Je kunt je niet meer opsluiten in dat clichématige zolderkamertje.”
Met een sigaar en glas wijn.
“Je moet de deur uit. Dat moest altijd al wel, maar dat geldt nu meer dan ooit. Ik schreef tijdens mijn studie een paper, een vergelijking van de grote drie: Harry Mulisch, Gerard Reve en W.F. Hermans.”
Harry Mulisch was internationaal heel succesvol.
“Precies, en dat kwam doordat hij zich veel beter liet vertalen dan Reve. Mulisch sprak uitstekend Duits én hij had uiteraard een erg interessant verhaal. Zijn vader was een Nazi en zijn moeder was Joods. Hij had ook geluk dat hij goed werd besproken in de Duitse literatuurkritieken.”
Hij had de uitstraling en ging de boer op.
“Daar wilde ik naartoe. Mulisch’ bestseller De Ontdekking van de Hemel werd heel rap in het Duits uitgebracht. Mulisch ging naar de Duitsers toe en had het charisma. Het is denk ik deels marketing: dat komt er altijd achteraan. Maar je moet ook gezien worden!”
Friese boeken gaan vaak over dezelfde thema’s: grutskens, de dorpen, de boer.. Een beetje ‘navelstaren’?
“Ja, maar het is ook de vraag: Wat is Friese literatuur? Is dat literatuur in het Frysk, of is dat literatuur in Friesland? Wat mij betreft is het allebei. Dan wordt het al wat minder navelstaarderig.”
Wie wordt de nieuwe Hylke Speerstra?
“Hylke Speerstra is uiteraard een grootheid, maar ook een exponent van zijn generatie. Ik denk aan Gabrielle Terpstra, die een vaste rubriek heeft in de Moanne. Daarnaast is zij podcast maker en is net haar debuutroman uit, Geller. Dat is een boek waarvan er niet veel zijn in de Fryske literatuur. Gabrielle is van de jongere generatie: ze is geboren in 1990. Het Letterenfonds brengt Geller nu naar internationale boekenbeurzen. Dit zijn de boeken waar we behoefte aan hebben en waar meer van mogen komen.
Geller gaat over verslaving, toch?
“Juist, een universeel thema maar wel beschreven vanuit een Fries meisje.”
Kortom: literatuur bestaat, al heel lang, in vele vormen en blijft zich ontwikkelen.
“Dat lijkt me een mooie afsluiting.”
Tekst: Marije de Lange
Fotografie: Simon van der Woude







